Grondzeiler-buitenkruier

Voor de molenaar was het steeds naar boven moeten lopen om de molen op de wind te zetten natuurlijk niet handig. De verdere ontwikkeling van de grote bovenkruiers leidde er dan ook toe dat men aan het eind van de zestiende eeuw van beneden af de kap kon kruien.

De Zwaluw  Achlumer Mole

Aan de buitenzijde kwam een staalconstructie en de grote familie van molens met een van buiten kruibare kap ontstond. Ongeveer driekwart van de 1.000 windmolens in Nederland vertoont dit kenmerk. Bij een kleine 300 molens van deze groep spreken we van grondzeilers; de molen staat niet op een verhoging maar wordt vanaf de grond bediend.

Binnen deze groep zijn weer twee grote groepen te onderscheiden. In de eerste plaats onderscheiden we de veelkantige (vaak achtkante), met riet gedekte molens. Deze zijn op een gemetselde onderbouw geplaatst. Vaak zijn het poldermolens, maar er komen ook korenmolens in deze groep voor.

Naast de veelkantige molen kennen we ook een grote groep ronde stenen grondzeilers. In Zeeland zijn deze molens vaak wit geschilderd; het zijn overigens allemaal korenmolens. Maar ronde stenen grondzeilers zijn ook vaak uitgerust voor het opvoeren van water. Zo wordt het wereldberoemde molencomplex te Kinderdijk voor de helft gevormd door dit type molen, de molens van de Nederwaard. De andere helft, de molens van de Overwaard, zijn allemaal achtkante grondzeilers. Eén wipmolen, de Blokker of Blokweerse Molen genaamd, completeert dit complex, dat in 1997 op de Werelderfgoedlijst is geplaatst.

Vormen de achtkante en de ronde stenen grondzeilers de grootste groepen buitenkruiers, er zijn ook nog bijzondere grondzeilers te onderscheiden. Zo staat in het Gelderse Waardenburg een zeskante korenmolen, die onlangs verhoogd is in verband met de dijkverzwaring.

De staartconstructie van een buitenkruier is het samenstel van balken, aan de achterzijde van de molen. Dit bestaat uit een lange staartbalk en korte en lange schoren. Deze schoren zijn aan de bovenkant bevestigd aan balken die door de kap van de molen steken: de lange schoren aan de lange spruit in het voorgedeelte van de kap, de korte schoren aan de korte spruit achteraan de kap. Even beneden het punt waar de lange schoren aan de staartbalk zijn bevestigd, bevindt zich het kruirad. Aan de as van dit rad zit de kruiketting, die vastgemaakt wordt aan kruipalen. Door aan het kruirad te draaien – de molenaar loopt er ook vaak in – gaat de kap draaien en wordt het wiekenkruis op de wind gezet.