Molenproducten

Er kan niet genoeg benadrukt worden dat molens werktuigen zijn. Werktuigen dienen ergens voor, er wordt een product gemaakt. Molenproducten zijn er in verschillende vormen.

In de eerste plaats is er natuurlijk het molenmeel, in diverse variëteiten. Maar in korenmolens werd ook veevoeder gemalen. Sommige korenmolens – met name in het noorden van ons land – kennen een tweede, gecombineerde functie, namelijk het pellen van gerst tot gort.

En dan zijn er natuurlijk nog molenproducten als gezaagd hout, plantaardige olie, papier, etc.

Toen de korenmolens na de oorlog hun economische functie verloren wisten de molenorganisaties, samen met de overheid, ze toch te behouden. De bescherming op grond van de Monumentenwet van 1961 bleek het middel om enerzijds te voorkomen dat molens niet massaal tot weekendverblijf, woning of restaurant verbouwd werden en anderzijds de nodige subsidies te verwerven voor kostbare restauraties en adequaat onderhoud. Vooral het laatste is bij de kwetsbare molens die weer en wind moeten trotseren, van levensbelang.

Molens konden wel behouden blijven, maar producten kwamen er minder en minder. Er was te weinig afzet en het muldersambacht dreigde verloren te gaan.

Gelukkig kwam daar begin jaren zeventig van de twintigste eeuw verandering in. Jonge, enthousiaste molenliefhebbers trokken zich het lot van stilstaande molens aan en bekwaamden zich in het muldersvak. Van de kennis van oude molenaars werd gretig en dankbaar gebruik gemaakt.

In het Gilde van Vrijwillige Molenaars verenigden deze molenaars zich. Het Gilde is tot op de dag van vandaag verantwoordelijk voor de opleiding; door vereniging De Hollandsche Molen worden examens afgenomen, waarna de geslaagde zich gediplomeerd vrijwillig molenaar mag noemen.

Door de nieuwe molenaars én door een verandering in de brood-consumptie (de vraag naar gezond brood van de warme bakker in plaats van het smakeloze, fabrieksmatig gebakken brood) ontstonden er ook weer kansen voor de beroepsmolenaars. Verenigd in het Ambachtelijk Korenmolenaarsgilde wisten enkele tientallen korenmolenaars vanaf de jaren zeventig hun brood te verdienen met het malen van graan tot volkorenmeel.

Vele vrijwillige molenaars zijn echte “watermolenaars” geworden, d.w.z. actief op poldermolens. Vaak zijn deze molens in staat als hulpgemaal bij te springen en voor menig molenaar is het een sport de elektriciteitsrekening van het gemaal zo laag mogelijk te houden, door zo veel mogelijk met windkracht de polder te bemalen.