Molens algemeen

Nederland – Molenland

Vanaf de zeventiende eeuw begint de Nederlandse windmolen aan een geweldige opmars, met als hoogtepunt de tweede helft van de negentiende eeuw, toen er naar schatting 9.000 molens in ons land stonden. Traditioneel werd met een molen graan tot meel gemalen. Daar kwamen in Nederland allerlei industriële toepassingen bij. En dankzij deze industriemolens konden gebieden als de Zaanstreek en Amsterdam uitgroeien tot de eerste industriële centra van ons land. Zo stonden in de Zaan in 1731 in totaal maar liefst 583 molens!
Verder vormden molens een onmisbare schakel in de waterhuishouding. Voor polders en waterschappen was de molen als opvoerwerktuig niet meer weg te denken.
De opkomst van de stoommachine luidde het verval van het Nederlands molenbestand in. Als eerste schakelde een groot aantal polders over op stoom. Ook de industriemolens krijgen concurrentie van stoom en later diesel en elektriciteit. Maar ook de veranderingen in het productieproces – molenstenen worden bijvoorbeeld vervangen door walsen bij de bloemfabricage – en de schaalvergroting eisen hun tol.
Na de Tweede Wereldoorlog brengen de economische en technische veranderingen het overgrote deel van de laatste windmolens tot stilstand. Gelukkig begint dan de molenbescherming tot volle ontwikkeling te komen. De overheid neemt de fakkel van molenorganisaties als vereniging De Hollandsche Molen over en molens worden als monument beschermd. En wanneer vanaf 1970 jonge enthousiaste molenliefhebbers zich het vak van molenaar eigen maken, vinden honderden molens hun oorspronkelijke functie terug. De neergang van het molenbestand komt tot staan, honderden vrijwillige molenaars stellen wind- en watermolens regelmatig in bedrijf en voeren klein onderhoud uit. De belangstelling voor dit oer-Hollandse werktuig neemt zienderogen toe en op Nationale Molendag zijn ieder jaar weer honderden molens draaiende en malende te zien. Nederland is weer het molenland bij uitstek.
Nederland telt aan het einde van de twintigste eeuw ongeveer 1.000 wind- en 100 watermolens. Windmolens zijn er gelukkig nog steeds in allerlei soorten en maten. Moet de kast of het bovenhuis gekruid worden, dan is er sprake van een standerdmolen, respectievelijk de daaruit ontwikkelde wipmolen en spinnekop. Bij een paltrokmolen of, als het om een klein poldermolentje gaat, een tjasker kan de gehele molen gekruid worden. De meeste molens in Nederland hebben echter een draaibare kap, de bovenkruiers. We onderscheiden dan weer de binnenkruiers, torenmolens en buitenkruiers. De plaats van waaraf de molen kan worden bediend bij laatstgenoemde groep molens leidt tot een onderscheid in grondzeilers, beltmolens en stellingmolens.