Wipmolen

In het vlakke, natte Holland is de mens altijd de strijd met het water aangegaan. Stukken land werden bedijkt en het overtollige water kon aanvankelijk via natuurlijke weg geloosd worden op rivieren en uiteindelijk op de Noordzee. Aan het einde van de Middeleeuwen bleek het echter steeds moeilijker het overtollige water kwijt te raken. Inklinking van de grond in de polders en vervening bespoedigden de komst van molens met een waterop-voerwerktuig: de poldermolens (deze term is eigenlijk niet geheel juist; er zijn ook molens die een boezem bemalen).
Het ligt voor de hand dat de standerdmolen als voorbeeld voor de poldermolen diende. Het bovenhuis hoefde vanwege de afwezigheid van molenstenen echter niet zo groot te zijn, terwijl de piramidevormige ondertoren dicht en groot moest zijn om het wateropvoerwerktuig te bergen. Zo ontstond de wipmolen, een molentype dat vermoedelijk zijn naam ontleende aan de licht schokkende beweging van het bovenhuis bij het malen. Een andere verklaring is dat een dergelijke molen het water de polder “uit wipt”.

De meeste wipmolens zijn poldermolens en hebben als waterop¬≠voerwerktuig een scheprad of soms een vijzel. Dat scheprad is meestal buiten de ondertoren opgesteld. Het opmalen van het polderwater kan zo goed gezien worden en is als er voldoende wind staat een prachtig gezicht. Wipmolens worden soms ook voor andere doeleinden gebruikt; zo zijn er nog twee wip-korenmolens bewaard gebleven (’t Haantje in Weesp en Nieuw Leven in Hazerswoude-Dorp).

De wipmolen deed vermoedelijk in de eerste helft van de vijftiende eeuw zijn intrede in de Vijfheerenlanden, ten noorden van Leerdam, en in de Alblasserwaard, ten westen van Leerdam. Daar staan nog altijd de grootste en mooiste wipmolens. Maar ook in andere delen van Zuid-Holland, in westelijk Utrecht, het Gelders Rivierengebied en het Land van Heusden en Altena vinden we wipmolens.

Nederland telt nog een kleine 70 exemplaren. In Friesland bestaat een klein soort wipmolen, de spinnekop. Deze poldermolen heeft een betrekkelijk klein vermogen en is meestal uitgerust met een vijzel of schroef, zoals de Friezen zeggen. Ze bemaalden kleine stukken land en waren veelal in bezit van particuliere boeren. De wipmolens in het westen daarentegen werden gebouwd en beheerd door de “publieke” waterschappen en polderbesturen. De molenaar was in dienst van dat bestuur.